Schatkamer Vereniging Oud Hoorn
 → 
 →  [Objectnummer 00013]
 

 
 
      

Penningmagazijn voor de jeugd


Klik op bovenstaande afbeelding voor een 100% weergave

Zicht op de Rode Steen, richting het oude stadhuis met de dubbele trap (afgebroken 1815) en de Waag; de toren van de Grote Kerk op de achtergrond. Op het Grote Noord een koets, op het plein vele figuren, aan de Waag zijn de weegschalen zichtbaar.

Zie ook prent van Hendrik Cornelisz. Pot in het Rijksmuseum
 

Nr:00013
Datum: 1838
Toel.: 
Publ.: Uit het tijdschrift:
Penningmagazijn voor de jeugd, verschenen 1835 - 1852, deze illustratie in jaargang 4, pagina 32
Uitgever:
's Gravenhage, S. de Visser & Zn. Later overgenomen door Joh. Noman en Zoon, Zaltbommel

Het verhaal gaat als volgt:
Na de slag van Bossu probeerden de Spanjaarden in 1574 Westfriesland over land te bereiken. Waterland werd veroverd, Krommenie deels verbrand, bij Wormer werden ze afgeslagen en Westzaan werd verovert. De Huysluyden moesten vluchten. Een van hen was Lambert Melisz. die op een berrie zijn oude moeder meevoerde over het huis. De Spanjaarden achterhaalden hen zodat hij de berrie tussen het riet zette en zichzelf verschool. De Spanjaarden hadden het gezien en dachten dat hij een schat vervoerde: ze vonden de oude vrouw en gingen beschaamd weg zonder haar iets te misdoen. Lambert kwam weer tevoorschijn en bereikte de Westerpoort in Hoorn.

De tekst van het gedicht:

Lambert Melisz.
Hij die zijn ouders teêr bemint
En bijstaat in den nood ,
Hen boven goed en leven acht,
Getrouw tot in den dood,
Die wacht eenmaal het heilrijkst lot
En wordt gewis bemind van God!

Het Spaansch geweld steeg dag aan dag;
En joeg tot Westzaan voort;
En sloeg de burgers schrik in 't hart
Door plundering en moord;
En ieder raapt en pakt bij een
Wat 't dierst hem is en vlugt straks heen.

Maar Lambert Melisz staat verstomd
De tijd eischt kort beraad:
Wat in dit hachlijk oogenblik
Hem 't meest ter harte gaat
Hij laat zijn goed den vijand buit,
En kiest als 't dierst zijn moeder uit.

De weduw stram van ouderdom
Zag 't schouwspel weerloos aan:
Wie ook door vlugt zich redden mogt,
Zij kon geen schrede gaan.
Maar God zag van zijn hoogen troon
Haar wee, en haren braven zoon.

De winter rekte ver zich uit,
Nog vloerde 't ijs den vloed.
En Lambert, die geen voertuig rest,
Ontzinkt schier al zijn moed
Doch peinzend, zegt zijn schrander brein:
"De draagbaar zal mijn slede zijn."

Hij spant zijn kracht, en sleept zijn schat
Aan 't stijf bevrozen koord,
Langs 't glad en krakend ijsspoor héen
En zweept zich, hijgend, voort.
En dankt, wat ook de vijand won,
Dat hij zijn moeder bergen kon.

Maar hoor! – daar jaagt het spaansche rot,
Door niets in 't woên gestuit,
d' Onnooz'len vlugt'ling vloekend' na
Reeds vlammende op den buit:
En in dit schriklijk oogenblik
Staat Lambert, als versteend van schrik

Men haalt hem in, – en graauwt hem toe:
" 't Is ons, al wat gij voert:"
Ontbloot zijn schat en tast in 't rond . . . .
Maar – staat door 't feit ontroerd!
En Lambert trekt nu veilig voort
En brengt zijn vragt voor Hoorne's poort.

Dáár wordt, gebeiteld in arduin,
't Aandoenlijk feit getoond,
Dáár werd aan Lambert Meliszoon
Zijn moedertrouw beloond;
Dáár werd met onuitwischbaar schrift
Zijn deugd voor 't nageslacht gegrift.

Want, wie zijn ouders teêr bemint
En bijstaat in den nood,
Hen boven alles, alles acht –
Getrouwt tot in den dood, –
Die smaakt eenmaal het heilrijkst lot,
Want ziet, hij wordt bemind van God.

Te 's Gravenhage bij S. de Visser

Verv.: 
Afm.:
Onderw:Stadsgezichten




 
 
 

 

Uitgebreid zoeken

 
 
 

     

Heeft u aanvullende informatie over bovenstaande object?
Wij vernemen dat zeer graag van u via het  


Uitgebreid zoeken
 

Record aangepast: 12 november 2021